Share

Diabetes Mellitus type II

14-06-2010 09:57, updated: 2010-06-14 09:59:25, Simon Klaasen, 928 views

Diabetes Mellitus type II

Diabetes Mellitus type II

 

Diabetes mellitus is beter bekend als suikerziekte. Er zijn verschillende typen diabetes, zoals type I, type II en zwangerschapsdiabetes. Type I wordt ook wel jeugddiabetes genoemd omdat dit type meestal begint op jonge leeftijd maar het kan ook op latere leeftijd beginnen. Type II staat ook wel bekend als ouderdomsdiabetes, hoewel dit vroeger inderdaad vaak pas op latere leeftijd begon, zijn er tegenwoordig steeds jongere patiënten die type II hebben. Zwangerschapsdiabetes is een vorm van diabetes die ontstaat bij de moeder tijdens de zwangerschap. Nadat zij bevallen is gaat de diabetes vaak weer over.

Van de mensen die diabetes hebben, heeft 90% diabetes mellitus type II. De uitleg die hieronder volgt zal zich concentreren op diabetes mellitus type II.

 

Ontstaan

Diabetes mellitus type II (hierna te noemen DMII) wordt veroorzaakt door een, in eerste instantie, relatief tekort aan insuline. Om te begrijpen wat DMII is, is het belangrijk uit te leggen wat insuline is en doet: Insuline is een hormoon dat gemaakt wordt in de bètacellen van de alvleesklier. Dit hormoon zorgt ervoor dat glucose (bloedsuiker) opgenomen kan worden door vet- en spiercellen en in de lever. Bij verhoogde glucosewaarden worden de cellen in de alvleesklier gestimuleerd om meer insuline af te geven. Deze effecten zorgen ervoor dat het bloedglucosegehalte tussen de normaalwaarden blijft (tussen de 4-6 mmol/L).

Bij DMII wordt het relatieve tekort aan insuline veroorzaakt door verminderde gevoeligheid van weefsels voor insuline. Omdat het lichaam het bloedglucosegehalte normaal probeert te houden zal er in eerste instantie meer insuline afgescheiden worden om zo het bloedglucosegehalte omlaag te brengen. Dit compensatiemechanisme kan het lichaam niet volhouden waardoor het bloedglucosegehalte stijgt. [Gedacht wordt dat dit komt door het neerslaan van amyloid, dit is schadelijk voor de bètacellen die normaal zorgen voor de insulineproductie. Amyloid is een eiwitsubstantie dat is opgebouwd uit amyline dat samen met insuline wordt uitgescheiden door de bètacellen. Doordat het lichaam meer insuline gaat afgeven om te trachten het bloedglucosegehalte omlaag te brengen wordt er dus ook meer amyline afgegeven. Een verhoogde bloedglucosespiegel is ook schadelijk voor de bètacellen. Dit alles leid tot een verminderde insulineafscheiding wat weer leid tot een verhoogde bloedsuikerspiegel.]

 

Het is nog niet precies duidelijk waarom iemand DMII krijgt. Wel zijn er een aantal factoren die de kans op het krijgen van DM II vergroten. Overgewicht en weinig bewegen zijn belangrijke factoren. Ook erfelijke aanleg speelt een belangrijke rol. Als een familielid, en dan met name een of beide ouders en/of een of meerdere broers of zussen, DM II hebben dan is er sprake van erfelijke aanleg en een verhoogde kans op het krijgen van DM II. Door een gezonde levenstijl aan te houden kun je de kans op het krijgen van DM II verkleinen, dit is dan ook zeker van belang voor mensen die een erfelijke aanleg hebben.

 

Klachten en symptonen

De eerste tekenen van DMII zijn vaak meerdere van de volgende symptomen; vaak plassen, veel dorst, vermoeidheid, klachten van de ogen, slecht genezende wondjes, kortademigheid, pijn in de benen bij het lopen, terugkerende infecties. Aangezien de klachten vaag zijn kan een persoon al een aantal jaren met DMII rondlopen, voordat het gediagnostiseerd wordt. Hierdoor kunnen er al complicaties opgetreden zijn.

 

Complicaties

Patiënten met DM II worden, doordat de klachten in eerste instantie weinig specifiek zijn, vaak laat gediagnostiseerd. Op het moment dat de diagnose gesteld wordt zijn bij veel patiënten al complicaties opgetreden. Diabetes leidt tot veranderingen in de bloedvaten. Bij type II treden er voornamelijk veranderingen op in de grote bloedvaten. Dit leidt tot aderverkalking. Dit heeft een grotere kans op hart- en vaatziekten tot gevolg. De gevolgen hiervan zijn een belangrijke doodsoorzaak.

Daarnaast kunnen patiënten last krijgen van netvliesaandoeningen, verlies van de nierfunctie en schade van de zenuwen.

De kans op deze complicaties wordt verhoogd wanneer er sprake is van een lang bestaande onbehandelde diabetes, een hoge bloeddruk en een verhoogd cholesterol. Wanneer DMII wordt gediagnostiseerd worden de bloeddruk en het cholesterol getest en meebehandeld om complicaties te voorkomen.

 

Diagnostiek

Op basis van de klachten wordt een bloedsuikerspiegel meting uitgevoerd. De diagnose diabetes wordt gesteld op het moment dat het suikergehalte nuchter boven de 7 mmol/L of boven de 11mmol/L niet nuchter is. Met nuchter wordt bedoeld dat in de acht uur voor de meting niets gegeten of gedronken is met uitzondering van water.

Daarnaast kan het laboratorium het HbA1c bepalen. Dit geeft de gemiddelde hoeveelheid bloedsuikerwaarde aan over de twee a drie maanden daarvoor. Voorheen werd dit uitgedrukt in een percentage en werd ernaar gestreeft om door middel van de behandeling DMII patiënten naar een waarde van onder de 7% te krijgen. Sinds 6 april 2010 wordt de HbA1c niet langer in een percentage uitgerukt maar in mmol/mol. De 7% die voorheen werd gehanteerd komt overeen met 53 mmol/mol.

 

Behandeling

Mensen met DMII worden behandeld om de bloedglucosewaarden te verlagen naar de normaalwaarde om zo de klachten te verminderen en complicaties te voorkomen.

Wanneer DMII in het beginstadium gediagnostiseerd wordt dan kunnen met de juiste leefstijl aanpassingen de bloedsuikerwaardes binnen de normaalwaarden blijven zonder dat de patiënt medicatie hoeft te gebruiken.

Leefstijladviezen die iedereen met DMII worden aangeraden zijn, meer bewegen, afvallen, gezond eten, matig alcoholgebruik en niet roken. Deze leefstijl aanpassingen verlagen de kans op complicaties en zijn van groot belang, ook naast het gebruik van medicatie.

Bij mensen die DMII hebben komt ook vaak een hoge bloeddruk en een verhoogd cholesterol voor. Beiden vergroten de kans op hart- en vaatziekten eveneens als DMII en dit zal dus getest moeten worden en indien nodig behandeld. Tegen de hoge bloeddruk worden meestal antihypertensiva gegeven en tegen het verhoogde cholesterol worden meestal statines gegeven.

Indien levensstijl aanpassingen niet of niet voldoende resultaat opleveren zullen orale bloedglucoseverlagende middelen worden gegeven. Er zijn verschillende soorten medicijnen die op verschillende manieren werken.

  • Glucosidaseremmers voorkomen pieken in de bloedsuikerspiegel na de maaltijd door de opname van glucose in de dunne darm te vertragen.
  • Sulfonylureumderivaten stimuleren de afgifte van insuline in de alvleesklier.
  • Biguaniden remmen voornamelijk de glucoseproductie in de lever.
  • Thiazolidinedionen bevordert de gevoeligheid voor insuline in de weefsels.

Er wordt meestal begonnen met een biguanide, zoals metformine, maar bij personen zonder overgewicht kan ook besloten worden te beginnen met een sulfonylureumderivaat. De tweede stap is een biguanide in combinatie met een sulfonylureumderivaat of een thiazolidinedione. Als behandeling met orale bloedglucoseverlagende middelen niet voldoende is wordt er insuline toegevoegd aan de behandeling. In eerste instantie eenmaal per dag, dit kan verhoogd worden naar twee of vier keer per dag.

 

Nieuwe ontwikkelingen

Sinds 2007 is er een nieuw medicijn in Nederland verkrijgbaar. De zogeheten DPP-4 remmers. Na het eten van een maaltijd worden er in de darmen hormonen aangemaakt die de insulineafgifte verhoogd en de glucoseafgifte verlaagd. Bij mensen met DMII werken deze hormonen minder goed. De DPP-4 remmers zorgen ervoor dat de werking van deze hormonen verbeterd wordt. Op deze manier wordt de eigen functie van het lichaam ondersteund. In Nederland zijn twee DPP-4 remmers verkrijgbaar, vildagliptine en sitagliptine. De stappen in de behandeling zijn zoals hierboven bij behandeling beschreven. Wanneer er contraindicaties bestaan voor één van de medicijnen uit het stappenplan dat gevolgd wordt bij DMII dan is er ruimte voor het toepassen van een DPP-4 remmer.

Sinds vorig jaar is er een ander nieuw medicijn verkrijgbaar in Nederland voor de behandeling van DMII, de GLP-1-analogen, deze moeten geïnjecteerd worden. Dit is een synthetisch vorm van een darmhormoon dat normaal in de darm voorkomt, maar bij patiënten met DMII verminderd is. De GLP-1 analogen zorgen voor een verhoogde insulineafgifte, een verlaagde glucosoafgifte door de lever en zorgt voor een vertraagde maaglediging waardoor er een minder grote piek in de glucosespiegel is. Daarnaast heeft het een eetlustremmende werking doordat het ook effect heeft op het verzadigingscentrum in de hersenen, dit leidt tot gewichtsverlies. Het geven van een GLP-1 analoog kan overwogen worden bij mensen met zeer fors overgewicht omdat het medicijn een gewichtsreductie geeft.

 

 

Bronvermelding

  1. Van der Meer / Stehouwer (red.), Interne Geneeskunde, Bohn Stafleu van Loghum, Houten 2005
  2. Farmacotherapeutisch Kompas 2010
  3. www.diabetesfonds.nl
  4. www.dvn.nl
  5. www.nieuwediabeteswaarde.nl
  6. Nanne Kleefstra, K.J.J. (Hans) van Hateren, S.T. (Bas) Houweling, Simon Verhoeven, Adriaan Kooy, A.N. (Lex) Goudswaard en  Henk J.G. Bilo, Nieuwe bloedglucoseverlagende middelen bij type 2-diabetes, Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:A886

 

© Karen de Ruiter / Link2Trials